Arbeidsmigrant die werkt in vaste dienst is niet automatisch veiliger
Arbeidsmigrant die werkt in vaste dienst is niet automatisch veiliger

Arbeidsmigranten zijn vaker betrokken bij ongelukken en er is te weinig aandacht voor hun veiligheid. Dat concludeert de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV). Peter Tamsma, manager preventieadvies bij Stigas, plaatst enkele kanttekeningen bij de conclusies. “Het kan natuurlijk altijd beter. Zolang er veel ongevallen gebeuren, is er te weinig aandacht, ongeacht of het vaste medewerkers of arbeidsmigranten zijn.”
Aandacht voor veiligheid op de werkvloer verschilt sterk van werkgever tot werkgever. Stigasmedewerkers die ondernemers en werknemers helpen om veilig, gezond en vitaal te werken, merken dat werkgevers zelf soms denken dat ze werknemers, Nederlander of arbeidsmigrant, goed instrueren voor hun werkzaamheden. Bij navraag bij werknemers blijkt dat regelmatig niet te kloppen.
Rekening houden met cultuurverschillen
Dat arbeidsmigranten meer dan Nederlandse werknemers behoefte hebben aan heldere en duidelijke voorlichting en instructies, vindt Tamsma een open deur. Checken of ze het begrepen hebben of alleen maar uit beleefdheid ’ja’ hebben gezegd, is volgens hem eveneens geen overbodige luxe.
“Bij arbeidsmigranten is het belangrijk om rekening te houden met cultuurverschillen en bijvoorbeeld veiligheidsperceptie. Verder is het enorm belangrijk om extra aandacht aan de communicatie te besteden als er meerdere groepen arbeidsmigranten met een verschillende achtergrond op het bedrijf werken. Een misverstand is zo ontstaan. Niet elk misverstand heeft weliswaar consequenties, maar een ongeluk zit in een klein hoekje”, weet Tamsma.
‘Er zijn altijd zwarte schapen’
In het rapport ‘Werkgerelateerde veiligheid van arbeidsmigranten in Nederland’ benoemt de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) de land- en tuinbouw, de bouw, de logistiek en de vleesverwerkende industrie als aandachtssectoren. Het beeld dat Tamsma heeft, is dat de situatie in de glastuinbouw beter is dan in andere genoemde sectoren. “Er zullen altijd zwarte schapen zijn die de boel verpesten voor de rest van de sector. En creatievelingen die gekke dingen bedenken die collega’s dan overnemen omdat het een goed idee lijkt, maar het niet is.”
Meer betrokkenheid en minder wisselingen
De OVV stelt dat minder ongelukken zullen zijn als arbeidsmigranten in vaste dienst worden genomen. Dat gaat beperkt op, stelt Tamsma. “Arbeidsmigranten in vaste dienst nemen, leidt misschien tot iets meer betrokkenheid en daardoor tot iets nauwkeuriger werken. Vast werk houdt ook vaak minder wisselingen in, waardoor meer ervaren werknemers en ervaren teams ontstaan. Echter, als het werk hetzelfde blijft en niet veiliger wordt gemaakt, zal het weinig invloed hebben op de ongevallencijfers.”
Ook de OVV-suggestie om desnoods een verbod op flexibel werk in die sectoren met de hardnekkigste problemen, nuanceert de manager preventieadvies. “Dat lijkt me niet zozeer een arboprobleem. Over het algemeen geldt natuurlijk wel dat er draagvlak moet zijn voor regelgeving. En als dan strengere regels worden afgesproken, moeten ze ook gehandhaafd worden. Anders gaat iedereen over tot de orde van de dag.”
In zijn rapport komt de OVV tot zeven conclusies. Tamsma voorziet ze van commentaar.
1. Arbeidsmigranten worden veelal ingehuurd voor risicovol werk.
“Dat zal kloppen. Arbeidsmigranten worden natuurlijk vaak ingehuurd als handjes, al dan niet aan machines. Dan spelen al snel aspecten als machineveiligheid en fysieke belasting.”
2. Arbeidsmigranten hebben te maken met risicoverhogende factoren.
“Dat klopt. Onervarenheid en het niet goed begrijpen van instructies, verhogen het risico. Dat verdwijnt uiteraard als je maar lang genoeg werkt.”
3. Werkgevers bieden structureel werk veelal tijdelijk aan.
“Dat kan ik moeilijk beoordelen. In agrarische en groene sectoren heb je natuurlijk ook veel werk wat seizoensgebonden is en altijd al tijdelijk werk geweest is. Al wordt tijdelijk in de glastuinbouw met de moderne kassen natuurlijk steeds langer. Ik hoor van onze adviseurs ook dat er een trend gaande is dat bedrijven vaker personeel vast in dienst nemen om ze meer aan hun bedrijf te binden.”
4. Wet- en regelgeving richt zich op vaste arbeidsrelaties.
“Ja en nee. De arbowetgeving maakt eigenlijk geen onderscheid in soorten werknemers. Als sprake is van werken onder gezag is de arbowet van toepassing, ongeacht of het om een vaste medewerker, uitzendkracht, arbeidsmigrant of stagiaire gaat. En al dan niet betaald werk. De arbowetgeving eist zelfs dat extra aandacht wordt besteed aan zogenaamde bijzondere werknemerscategorieën die extra risico’s lopen zoals zwangeren, ouderen, maar ook anderstaligen. Dus nee.
Aan de andere kant zie je dat normen vaak gebaseerd zijn op 40 uur in de week en 52 weken per jaar (minus vakantie) dezelfde werkzaamheden. Wat moet die werkgever dan die, om z’n vaste werknemers te ontlasten, uitzendkrachten inhuurt voor fysiek belastend werk? Hij heeft weinig invloed op de activiteiten die ze voor die tijd of na die tijd hebben gedaan.”
5. Toezicht houdt geen rekening met specifieke risico’s voor arbeidsmigranten.
“Ik neem aan dat hier de arbeidsinspectie wordt bedoeld. Zoals hierboven gezegd is de wetgeving niet verschillend. Als er aanleiding voor is, bijvoorbeeld na een ongeval, zal de Nederlandse Arbeidsinspectie daar zeker aandacht aan besteden.”
5. Arbeidsmigranten zijn buiten beeld.
“Ik zou bijna zeggen als ze buiten beeld zijn, dan zijn ze goed geïntegreerd. En als ze worden uitgebuit, zijn ze goed in beeld bij de werkgever. Uiteraard zijn er echter altijd bedrijven die er een potje van maken. Mijn beeld is dat de houding van jaren geleden (’dan trekken we wel een nieuw blik Polen open’) is gedraaid. Veel werkgevers realiseren zich dat ook arbeidsmigranten schaars zijn of schaars worden. Het is daarom belangrijk ze goed aan het bedrijf te binden.”
6. Arbeidsmigranten hebben geen garantie op zorg en hulp na een ongeval.
“Ik hoor dat in onze sectoren arbeidsmigranten allemaal netjes en goed verzekerd zijn, om die garantie op zorg goed te kunnen garanderen.”
Bron: Gfactueel
##arbeidsmigranten #werkveiligheid #voorkomongevallen #arboveiligheid #cultuurverschillen #glastuinbouw #bouwsector #logistiek

Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project 100% Groen Geteeld is daarvan een voorbeeld.’ Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Bron: Nieuwe Oogst #Glastuinbouw #Waterkwaliteit #Gewasbescherming #DuurzameTeelt #GroeneMiddelen #Elsman

Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project 100% Groen Geteeld is daarvan een voorbeeld.’ Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Bron: Nieuwe Oogst #Glastuinbouw #Waterkwaliteit #Gewasbescherming #DuurzameTeelt #GroeneMiddelen #Elsman

Grotere bedrijven handelen al jaren op de stroommarkt. Het einde van de salderingsregeling dwingt nu ook boeren en tuinders zich op die markt te oriënteren. Door de oorlog in Iran staat de energietransitie weer volop in de aandacht. Rondom de gemeenteraadsverkiezingen is daardoor ook de kwestie van windmolens op land weer afgestoft. Hét beeld daarbij zijn de torenhoge witte reuzen van 100 of zelfs 200 meter hoog. Die kunnen op voorhand al rekenen op verzet, omdat ze horizonvervuiling, slagschaduwen en lawaai veroorzaken. De veel kleinere windmolens op de erven van boeren en tuinders hebben ook last van dat ongunstige imago. Maar als gemeenten en provincies de juiste informatie hebben, kunnen ze er bijna niet tegen zijn, stelt Alexander Mascini van Ecoways. Dit bedrijf zet zogeheten erfmolens met een ashoogte van 15 meter neer bij vooral agrarisch ondernemers met een middelgrote energievraag. “We hebben nu zo’n 1.000 klanten, waarvan bijna 90% in Nederland. De afgelopen jaren hebben we ook heel veel zonnepanelen geïnstalleerd. En de laatste tijd is er ook veel vraag naar batterijen. Het bijzondere aan de erfmolens is dat we die helemaal zelf in Nederland produceren.” Kleinverbruikersaansluiting De combinatie van zonnepanelen, een kleine erfmolen en eventueel een batterij is vooral interessant voor boeren en tuinders met een verbruik rond 50.000 kWh per jaar. Ondernemers die met een kleinverbruikersaansluiting onder de 3×80 ampère zaten, vielen onder de salderingsregeling. Met het verdwijnen daarvan wordt het ook voor deze groep – naar schatting zo’n driekwart van alle agrarisch ondernemers in Nederland – zaak om de eigen stroomvraag en het eigen stroomaanbod zoveel mogelijk gelijk op te laten lopen. Met alleen zonne-energie heb je vaak te veel stroom en nog vaker helemaal géén stroom. Maar waaien doet het ook als de zon onder is of niet schijnt. En met een batterij erbij kun je ook zonder zon én zonder wind op eigen energie doordraaien, waardoor je minder snel dure netstroom hoeft af te nemen. Zelf kunnen sturen achter de meter is nu de grootste drijfveer bij klanten en potentiële klanten, stelt Mascini. “Als straks niemand meer kan salderen, is echt voor iedereen het gebruiken van eigen stroom het voordeligst. Ook voordeliger dan met je opgewekte stroom gaan handelen.” Onbalansmarkt zakt in Energietransitie-expert Sanne de Boer van RaboResearch valt Mascini daarin bij. Batterijen halen het zekerste rendement als je er je eigen gebruik mee kunt optimaliseren. Er winst mee kunnen maken op de onbalansmarkt, calculeerden velen bij de aanschaf van een batterij wel in. “Maar die markt is al aan het inzakken. Het is een relatief kleine markt en als steeds meer partijen er op actief worden, daalt het verdienpotentieel.” De terugverdientijd in de verkoopplaatjes van de almaar talrijker wordende batterijproducenten en -handelaren is deels gebaseerd op de jaren 2022 en 2023. Tijdens de energiecrisis aan het begin van de Oekraïne-oorlog konden hoge rendementen worden behaald met flexibel invoeden of afnemen van stroom. Maar die bieden geen garantie voor de toekomst. Dat we nu wéér met een oorlog te maken hebben die de energiemarkten op hol doet slaan, doet daar niks aan af. Subsidiemogelijkheden “Het is heel moeilijk om op voorhand een berekening los te laten op de businesscase voor een energie-installatie die 15 jaar mee moet gaan”, stelt De Boer. “Het is dus best lastig om een dergelijke installatie als los project te financieren”. Wat de terugverdientijd van bijvoorbeeld een erfmolen in elk geval bekort, is de subsidie die je erop kan krijgen. Landelijk is er de Energie-investeringsaftrek EIA en er zijn provinciale subsidies. En onder voorwaarden betaalt ook het duurzaamheidsfonds van Rabobank tot €10.000 mee op de €100.000 die zo’n windmolen inclusief vergunningsaanvraag en installatie kost. Eigen energiedata eerst Voor ondernemers die voor zichzelf hun opties op een rijtje willen zetten, is de eerste stap de eigen energiedata zo gedetailleerd mogelijk op een rijtje te zetten, stelt Jinny Soe Moe Let van Netbeheer Nederland. “Begrijp hoe je energiefacturen eruitzien.” De basis is daarbij uiteraard de energiebehoefte van het bedrijf. Hoe veel stroom is er nodig en wanneer per dag, week of maand – is er meer of minder nodig? Hoe groot is de piek aan elektriciteitsvolume die door je netaansluiting moet kunnen? En hoe vaak benaderde de afgelopen jaren jouw verbruik daadwerkelijk dat piekvolume? Slim sturen achter je meter is volgens Soe Moe Let voor zowel ondernemers als voor particulieren de eerste prioriteit. Dat verlaagt de pieken van te veel stroom tegelijk moeten invoeden naar het net én de pieken van te veel tegelijk moeten afnemen van het net. De eerste en eenvoudigste besparing kan dan al zijn dat je je aansluiting prima blijkt te kunnen verkleinen. En als je een dynamisch energiecontract hebt, kun je ook al meteen geld verdienen door te voorkomen dat je stroom moet afnemen tijdens dure uren, of stroom moet leveren tegen lage of zelfs negatieve prijzen. Een andere manier van winst pakken is dat je je ongebruikte piekvolume tegen een vergoeding beschikbaar stelt aan een buurman. Netcongestie voor zijn Dat laatste is van groot belang met het oog op de problemen die we in Nederland hebben met netcongestie. Dat is in de eerste plaats een theoretisch probleem: nieuwe bedrijven aansluiten op het net, vergroot het risico dat alle bedrijven en huishoudens bij elkaar opgeteld op één moment allemaal tegelijk hun maximale volume willen en zullen afnemen en de boel klapt. Die klap kunnen we niet alleen voorkomen door volle bak het net te verzwaren. Dat kost vele miljarden euro’s én vele jaren. Maar eerder en sneller al kunnen we het opgeteld volume van de aansluitingen beter verdelen. In de Energiewet, die sinds 1 januari de oude Gaswet en Elektriciteitswet vervangt, staat in het overzicht van alle verschillende partijen met hun verschillende rollen ook de Congestion Service Provider genoemd. Dat zijn door de overheid gecertificeerde bedrijven die flexdiensten faciliteren, naar de netbeheerder, naar de groothandelsmarkten of naar de andere leden van een groep gebruikers die besluiten achter één meter te gaan zitten. Zo’n groepscontract is al langer mogelijk, maar is best ingewikkeld. Alle leden van de groep moesten allemaal bij dezelfde energieleverancier zijn aangesloten. En in zo’n contract moet van alles vooraf waterdicht worden geregeld: kosten, baten, garanties over wie wanneer waarop recht heeft, en wie er voorrang krijgt bij een tekort aan piekcapaciteit. Van vaste contracten naar vrije keuze De mogelijkheden om onderling contractcapaciteit te delen, maar ook achter die gezamenlijke meter vraag en aanbod van stroom eerst onderling uit te wisselen en te ‘salderen’, en nog veel meer, zijn in hoofdstukken 1 en 2 van de nieuwe Energiewet al aardig op een rijtje gezet. Interessant leesvoer, waar het hoofd van de nu met vaste contracten werkende boer of tuinder wel van kan gaan duizelen. En de mogelijkheden om eigen vraag en aanbod van energie te managen worden in 2027 alleen nog maar groter. Vanwege EU-regels zitten klanten dan niet meer voor al hun diensten aan één energieleverancier vast. Energielevering als dienst wordt dan ‘ontbundeld’ met al die andere mogelijke diensten, die dan vrijelijk bij andere partijen afgenomen kunnen worden. De boer en de tuinder, maar ook de bakker en de loodgieter: elke ondernemer wordt dan óók energieondernemer. Of hij bepaalt in ieder geval samen met zijn leveranciers van energiediensten hoe het bedrijf energetisch als een zonnetje blijft draaien. En hoe de energiestromen technisch en financieel zo gunstig mogelijk door de kabels stromen. Bron: Gactueel #salderingsmaatregel #subsidie #Elsman #stroommarkt #energie #netcongestie

Ondanks een exportgroei van 3 procent - het hoogste niveau in twee jaar - is het vertrouwen van Nederlandse exporteurs gedaald naar het laagste punt sinds de financiële crisis. Bedrijven beoordelen het economische klimaat met een magere 5,9, wat duidt op pessimisme, terwijl de export juist veerkrachtig blijft presteren. Vooral de Verenigde Staten gelden als belangrijke groeimotor, maar tegelijkertijd beschouwen exporteurs de Amerikaanse markt óók als risicovol door handelsbeperkingen en politieke onzekerheid. Geopolitieke spanningen en handelstarieven worden door bedrijven dan ook massaal genoemd als grootste bedreiging voor verdere groei. Deze onzekerheid heeft ook invloed op de keuze voor afzetmarkten waar Nederlandse bedrijven willen groeien. Dat blijkt uit Trends in Export, het jaarlijkse onderzoek van Atradius en evofenedex dat vandaag is gepubliceerd. Exporteurs realiseren een steeds groter deel van hun omzet binnen de Europese Unie. Terwijl vorig jaar nog 67 procent van de exportomzet uit de EU kwam, ligt dat aandeel nu boven de 70 procent. Daarmee zet de verschuiving naar een meer regionaal georiënteerde export zich voort en kiezen Nederlandse bedrijven vaker voor nabijgelegen, stabiele markten. Duitsland blijft de belangrijkste exportbestemming, gevolgd door België, Frankrijk, Italië en Spanje. Ook op langere termijn zien exporteurs Europa als de meest kansrijke regio. "In een tijd van verschuivende machtsblokken biedt de Europese markt stabiliteit, nabijheid en voorspelbaarheid", zegt Bart Jan Koopman, algemeen directeur van evofenedex. "Tegelijkertijd ziet de helft van de bedrijven geopolitieke onrust als grootste obstakel voor verdere groei en noemt 37 procent handelsoorlogen als risico. Daardoor wordt de Nederlandse export minder mondiaal en meer regionaal georiënteerd. Europa blijft het fundament en dat maakt het des te urgenter om de interne markt verder te versterken en te versoepelen." VS grootste kans én risico voor Nederlandse exporteurs Ondanks geopolitieke spanningen en het grillige Amerikaanse handelsbeleid blijven de VS een cruciale afzetmarkt. Nederlandse bedrijven noemen de VS het vaakst als markt waar zij in 2026 een omzetstijging verwachten, maar tegelijkertijd staat het land óók in de top van verwachte omzetdalers. Dit maakt duidelijk dat kansen en risico's in deze markt dicht bij elkaar liggen. Ook lijkt de groei in de VS deels te zijn veroorzaakt door het naar voren halen van orders in de aanloop naar hogere handelstarieven. Andere regio's, zoals Noord-Amerika en het Midden-Oosten, worden minder vaak als kansrijk gezien dan vorig jaar. Daarmee wordt duidelijk dat de internationale vraag steeds moeilijker te voorspellen is en exportgroei minder vanzelfsprekend wordt. Interne knelpunten kosten export miljarden Niet alleen externe factoren remmen de exportgroei, ook in bedrijven zelf blijft veel potentieel onbenut. Twee op de drie exporteurs geven aan dat interne belemmeringen - zoals personeelstekorten, productaanpassingen en prijsbeleid - de groei beperken. Omgerekend betekent dit dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse export, goed voor honderden miljarden euro's, te maken heeft met remmende factoren. Exporteurs schatten dat deze interne knelpunten leiden tot gemiddeld bijna 10 procent omzetverlies. Dat komt neer op circa 70 miljard euro aan gemiste exportomzet en mogelijk 20 tot 25 miljard euro aan misgelopen winst. Vooral capaciteitstekorten en organisatorische beperkingen worden vaak genoemd. Problemen met financiering en exportkredietverzekeringen komen minder vaak voor, maar hebben wel een grote impact als ze zich voordoen. Exporteurs opnieuw strikter met betalingscondities Ook dit jaar zijn Nederlandse exporteurs strikter met betalingscondities. De verslechterde kredietwaardigheid van internationale klanten draagt hieraan bij. Landen waar sprake is van de grootste betalingsproblemen zijn Frankrijk en Italië - waar 8 procent van de exporteurs problemen ervaart - België (7 procent), Duitsland (6 procent), Spanje (5 procent) en het Verenigd Koninkrijk (5 procent). "We zien dat exporteurs steeds scherper sturen op zekerheden en betaaltermijnen. Dat is begrijpelijk in een omgeving waarin de kredietwaardigheid van afnemers onder druk staat, maar het vraagt ook om maatwerk. Wie internationale klanten goed screent en de juiste vormen van kredietverzekering inzet, kan verantwoord zakendoen in landen waar betalingsrisico's toenemen, zonder groeikansen te laten liggen", aldus Tom Kaars Sijpesteijn, directeur van Atradius Nederland Bron: Groentennieuws #NederlandseExport #Exportgroei #GeopolitiekeSpanningen #Handelstarieven #EuropeseMarkt .
