Strijd over kosten huisvesting arbeidsmigranten

Huisvesting van arbeidsmigranten drukt op de Cao Glastuinbouw: er is discussie over inhouding en partijen willen meer rijksregie.

De huisvesters van arbeidsmigranten verenigen zich. Zo laten ze overheid en maatschappij zien dat dit dossier in het teken kan staan van professionalisering en niet van overlast en misstanden. Ondertussen steggelen bonden en werkgevers in de tuinbouw aan de cao-tafel over waar de lasten en de lusten van huisvesting moeten landen.


Vakbond CNV schuift dit jaar Julita Palinska naar voren als eerste onderhandelaar. De Poolse kent de uitzendsector en de tuinbouw goed. Al sinds 2003 is ze in Nederland. Haar loopbaan bij diverse uitzendbureaus als recruiter en unit manager gaf haar inkijkjes in meer sectoren. De laatste paar jaar – voor haar overstap naar CNV – werkte ze bij een bureau in Berkel en Rodenrijs, met veel klanten in de glastuinbouw.


Bij dat laatste uitzendbureau waren de zaken wel het beste geregeld”, zegt ze, “maar in al die jaren heb ik ook wel veel zaken voorbij zien komen die op het randje waren of eroverheen. Daarom ben ik bij de vakbond gaan werken. Als medewerker bij uitzendbureaus kon ik arbeidsmigranten goed van dienst zijn, maar bij de CNV nog beter.”

De data die de bonden verzamelen over discutabele loondossiers bevestigen Palinska’s gevoel dat het bij uitzendbureaus regelmatig verkeerd gaat. “Bij 95% van de uitzenddossiers die we analyseren, komt er een loonvordering uitrollen. Bij mensen die direct in dienst zijn bij het bedrijf waar ze ook daadwerkelijk aan het werk zijn, is dat slechts 5 tot 10%.”


Glastuinbouw: grijs gebied tussen uitzend en vast

Juist in de glastuinbouw is er een nogal uitgestrekt ‘grijs gebied’ tussen uitzendwerk en werk in dienst bij het bedrijf zelf. Grote glastuinbouwbedrijven hebben eigen uitzendbureaus opgericht. Die lenen uitzendkrachten, betaald volgens de uitzend-cao, uit aan de teeltbedrijven.


Vanwege het hoge percentage uitzendkrachten dat in de tuinbouw werkt, is het dus niet zo heel vreemd dat uitzendbureaus bij de onderhandelingen voor een nieuwe cao een plekje aan de tafel kregen. Dit jaar heeft de inhoudsregeling voor huisvesting van arbeidsmigranten bij die onderhandelingen een belangrijke rol gespeeld.

Cao-huisvesting: 20% (tuinbouw) versus 25% (uitzend)

Palinska: “Al 20 jaar staat in de glastuinbouw-cao dat de maximale prijs voor gecertificeerde huisvesting 20% van het wettelijk minimumloon (WML) is op basis van een 38-urige werkweek. In de uitzend-cao is dat 25% op basis van een 40-urige werkweek.”


Dat verschil is dit jaar extra interessant. Bedrijven zijn per 1 januari 2026 wettelijk verplicht om uitzendkrachten die hetzelfde werk doen als medewerkers in vaste dienst een gelijkwaardig loon te betalen. De vraag is dan of ook het inhoudingspercentage van beide cao’s gelijkgeschakeld zou moeten worden. De insteek in de onderhandelingen leek die kant op te gaan dat ook de tuinders toe zouden moeten kunnen naar maximaal niet 20 maar 25% in rekening te mogen brengen.


Stijgende woonlasten zetten cao-afspraken onder druk


De gedachte daarachter was overigens juist niet die verplichting tot betalen van een gelijkwaardige beloning. “Als ondernemers hebben we met stijgende woonlasten te maken bij de huisvesting die wij faciliteren”, zegt Ilse Lensink, die de cao-onderhandelingsdelegatie van de werkgevers voorzit. “Dat verschilt natuurlijk wel per regio en eigenlijk zelfs per bedrijf. Het is wel helder dat dat maximum van 20% van het minimumloon wat al jaren in een cao staat niet meer per se de realiteit van nu weerspiegelt. Kijk maar naar de prijzen op de gewone woningmarkt.”


Volgens Lensink is dat argument eenvoudig te weerleggen. Het opschroeven van het maximum inhoudingsbedrag betekent niet dat elke huisvester automatisch de prijs omhoog laat gaan. “In de cao staat al dat de huisvester alleen daadwerkelijke kosten in rekening mag brengen en geen winst mag maken. Dat is ook te checken bij de certificeerders SNF en AKF. En dat wilden we in ons voorstel niet veranderen.”


Kosten lopen uiteen: van erfonderkomen tot nieuw wooncomplex


Na de onderhandelingsronde van 23 april bleken vraag en aanbod van de bonden en de werkgevers nog te ver uit elkaar te liggen. De bonden zetten in op volledige compensatie van de hogere rekening die werkgevers voor huisvestingskosten bij de werknemers zouden kunnen gaan leggen. Dat zou echter tot een onbetaalbare verhoging van het cao-loon leiden, aldus Lensink. Dus besloten de werkgevers in de onderhandelingsronde van 23 april de huisvestingskosten uit hun voorstel te halen.


Lensink verwachtte daags na die ronde ook niet dat die huisvestingsparagraaf alsnog aan bod zou komen. Dat gold voor het eindbod van de werkgevers, dat op dat moment nog niet was geformuleerd. Het verschil tussen de inhoudingsregelingen blijft dus ook de komende jaren bestaan. In de praktijk komt het neer op een maximum inhouding van zo’n €112 per week voor een bed volgens de tuinbouw-cao’s. Dat is in de uitzend-cao €157 per week per bed.


In hoeverre dat ook echt huurbedragen zijn die voor de verhuurder noodzakelijk zijn om uit de kosten te komen, is, zoals al gememoreerd, in zijn algemeenheid moeilijk te zeggen. Door de tuinder zelf getimmerde onderkomens op het bouwblok van het eigen erf zijn veel goedkoper dan een door een architectenbureau ontworpen nieuw gebouwd wooncomplex, zoals het begin dit jaar geopende Homeland aan de rand van het Westlandse dorp Maasdijk.


Vergunningen


Veel gemeenten maken het bedrijfseconomisch nog eens een stuk duurder. Dat komt doordat ze een vergunning van tien jaar afgeven. De bouwkosten moeten dan over een veel kortere tijd worden afgeschreven dan bouwtechnisch nodig zou zijn. Die vergunningstechnisch opgedreven kosten heeft gevolgen. Een koppel in een klein appartement is bijna €1.400 huur per maand kwijt, schetst CNV’er Palinska. “Dat is sowieso boven de grens voor huursubsidie. En als het in een wooncomplex met een inpandige galerij kan worden aangemerkt als ‘onzelfstandige woonruimte’ is ook huurbescherming niet van toepassing.”


Hoge huur kan overblijven van loon onder druk zetten


Zeker wanneer buiten de absolute arbeidspieken op de lange zomerdagen arbeidsmigranten werkweken maken van 28 uur of minder kan het zo zijn dat na aftrek van huur en kosten voor levensonderhoud er helemaal niets overblijft.


“Voorheen reden Polen heel hard door Duitsland om in Nederland te gaan werken”, weet Palinska. “Maar de jongere generatie heeft minder last van het oude anti-Duitsland-sentiment. Die zien dat ze €18 à €19 per uur kunnen verdienen, terwijl de huisvesting daar de helft goedkoper is. En ze hoeven niet zo ver van huis.”


Nieuwe regels rond huur(prijs)bescherming en Roemer-norm


Aan de cao-tafel is ook gesproken over een systeem dat de verhouding tussen prijs en kwaliteit beoordeelt: staat de prijs van een onderkomen voor arbeidsmigranten in verhouding met de kwaliteit van het gebodene? Iets dergelijks is ook aan de orde in de wetten die al zijn aangenomen of in de steigers staan rond huurbescherming en huurprijsbescherming. Die wetten zijn echter in veel gevallen niet op maat voor arbeidsmigranten.


Om voor het huisvesten van tijdelijk in Nederland verblijvende werknemers uit het buitenland niet in de categorie logies of short stay terecht te komen, is een nieuwe wet in de maak. Die zal voor de zomer in internetconsultatie gaan, verwacht Laura Boer van het ministerie van Binnenlandse Zaken waar ook volkshuisvesting onder valt.


Nieuwe wet moet ‘logies’ beperken en tijdelijke huur mogelijk maken


In die nieuwe wet wordt logies beperkt tot 30 nachten. Langer durende tijdelijke huur voor arbeidsmigranten wordt mogelijk, mits de huisvesting voldoet aan de Roemer-norm met onder meer minstens 15 vierkante meter woonruimte per persoon en per persoon een eigen slaapkamer. In het schriftelijk huurcontract moet een duidelijke einddatum staan.


De rol van de gemeente zal ook duidelijker uit de verf moeten gaan komen als de Eerste Kamer groen licht geeft aan de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Elke gemeente moet dan een plan maken waar ook het beleid rond arbeidsmigranten uit de doeken wordt gedaan. Er zijn al wel gemeenten die in hun verhuurverordening ook een vergunningenbeleid toepassen om overlast door verhuur aan arbeidsmigranten voor te kunnen zijn. Dat kan met generiek gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld door een maximum aantal bedden voor tijdelijke verhuur in wat voor vorm dan ook vast te stellen, een meldpunt in te stellen voor goed verhuurderschap en door allerlei specifieke voorwaarden te stellen aan de kwaliteit van tijdelijke huisvesting), maar ook door voor bepaalde wijken beperkingen in te stellen.


Beperkingen werken pas met voldoende aanbod


Over dergelijk per gemeente verschillend lokaal beleid liet Frank van Gool zich onlangs kritisch uit. De directeur van Kafra Housing heeft alle begrip voor het willen voorkomen van ongewenste overlast door verhuur van reguliere woningen en de druk die dat legt op de reguliere woningmarkt. Dan moeten gemeenten toch eerst gaan werken aan voldoende aanbod van tijdelijke huur op plekken waar en manieren waarop dat wel gewenst is.


Van Gool schreef hierover een open brief aan de gemeente Goeree-Overflakkee. Daar dreigt een stop voor de realisatie van grootschalige wooncomplexen waar zijn bedrijf in is gespecialiseerd. Juist in die specifiek voor deze doelgroep nieuwgebouwde complexen kan dat beter. Met goed georganiseerd toezicht kan werk worden gemaakt van het voorkomen van overlast. Ook kan oneigenlijk gebruik van reguliere woningen of recreatiewoningen worden voorkomen.


De cafetariaregeling tussen werkgevers en de Belastingdienst is versoberd in het per 2026 van kracht geworden belastingplan. Dat zorgt ervoor dat extra kosten voor levensonderhoud sinds 1 januari niet meer in mindering gebracht kunnen worden op het brutoloon voor zover dat boven het minimumloon uitkomt. Onder die extra kosten die sinds dit jaar niet meer fiscaal kunnen worden uitgeruild, vallen ook gas, water en licht en andere nutsvoorzieningen, evenals extra telefoonkosten voor privédoeleinden met het land van herkomst. Kale huur blijft wel uitruilbaar.


Praktische invulling


In de praktijk blijkt deze splitsing lastig uitvoerbaar. LTO is in gesprek met de Belastingdienst om te verkennen hoe tot een praktische en werkbare invulling van deze regeling kan worden gekomen. De voorkeur ligt bij vaste normbedragen per huurder per dag of week. Hierdoor hoeft de werkgever de daadwerkelijke kosten aan gas, licht en water die een huurder veroorzaakt niet uit te rekenen. Het blijkt lastig om tot een eenduidig normbedrag te komen. Tot die tijd blijft het daarom noodzakelijk om de kosten te splitsen.


Bron: Gfactueel


#huisvesting #arbeidsmigranten #glastuinbouw #Roemernorm #Elsman



16 april 2026
Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project 100% Groen Geteeld is daarvan een voorbeeld.’ Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Bron: Nieuwe Oogst #Glastuinbouw #Waterkwaliteit #Gewasbescherming #DuurzameTeelt #GroeneMiddelen #Elsman
Bekijk meer
16 april 2026
Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project 100% Groen Geteeld is daarvan een voorbeeld.’ Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Glastuinbouw Nederland reageert op een persbericht waarin Natuur & Milieu (N&M) stelt dat nog steeds te veel bestrijdingsmiddelen in water terechtkomen. De aanleiding is het rapport ‘Chemievrije teelt als antwoord op te veel bestrijdingsmiddelen in het water rondom kassen’ dat de natuurorganisatie deze week publiceerde (onderaan dit artikel te downloaden). N&M stelt dat extra stappen nodig zijn om de waterkwaliteit rond kassen te verbeteren. Volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland heeft de glastuinbouwsector diezelfde conclusie eerder al getrokken. Dat resulteerde in een actieplan met diverse extra maatregelen. ‘Het rapport van N&M beschouwen we dan ook als een bevestiging dat we op de goede weg zijn.’ Normoverschrijdingen nemen af Uit onderzoek van N&M blijkt dat de normoverschrijdingen afnemen. Een trend die Glastuinbouw Nederland herkent en die overeenkomt met de landelijke meetnetgegevens. ‘Waar het om de ecologische staat van het oppervlaktewater gaat, maken we wel de kanttekening dat er meer factoren zijn die deze beïnvloeden dan alleen gewasbeschermingsmiddelen’, aldus Bom-Lemstra. ‘Uit onze praktijkervaring weten we dat de duiding van aangetroffen stoffen erg lastig is’, vervolgt de Glastuinbouw Nederland-voorzitter. ‘We zien steeds meer stoffen waarvan het gebruik door de glastuinbouw onwaarschijnlijk is. Daarover zouden we graag over in gesprek gaan met N&M.’ Bedrijven certificeren Als voorbeelden van maatregelen die de glastuinbouw neemt, noemt Bom-Lemstra het actieplan ‘Waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden’ en de projecten Watercoach, Transparante Tuinders en Waterkracht. Deze projecten vinden ook plaats in glastuinbouwgebieden waarin geen meetpunt van het landelijk meetnet is. Daarnaast onderzoekt de sector of het mogelijk is om glastuinbouwbedrijven die volledig lekdicht zijn en geen emissies naar het milieu hebben, te certificeren. Bij de uitvoering van de extra maatregelen werkt de sector nauw samen met het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG). Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, provincies, gemeenten en Glastuinbouw Nederland. Het PDG wil onder andere meer inzet op risicogestuurd toezicht en handhaving, om telers te prikkelen tot verbeteringen. Ook dat is volgens Bom-Lemstra in lijn met de aanbevelingen in het rapport van N&M. Terugdringen chemiegebruik Om lekkages van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen aan te pakken, adviseert N&M de bron van die emissies aan te pakken en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen. In haar reactie wijst Bom-Lemstra erop dat de sector fors inzet op het terugdringen van het chemiegebruik. ‘Het project Wel voegt de voorzitter van Glastuinbouw Nederland eraan toe dat haar organisatie genuanceerd kijkt naar het gebruik van chemie. ‘Een beperkte inzet kan een groot verlies van opbrengst voorkomen. Wel moeten we ervoor zorgen dat die middelen niet in het milieu terechtkomen.’ Voor een aantal ziekten en plagen is volgens Bom-Lemstra nog geen groene oplossing beschikbaar. ‘We roepen N&M daarom op om samen met ons te werken aan het sneller beschikbaar krijgen van groene middelen.’ Bron: Nieuwe Oogst #Glastuinbouw #Waterkwaliteit #Gewasbescherming #DuurzameTeelt #GroeneMiddelen #Elsman
2 april 2026
Grotere bedrijven handelen al jaren op de stroommarkt. Het einde van de salderingsregeling dwingt nu ook boeren en tuinders zich op die markt te oriënteren. Door de oorlog in Iran staat de energietransitie weer volop in de aandacht. Rondom de gemeenteraadsverkiezingen is daardoor ook de kwestie van windmolens op land weer afgestoft. Hét beeld daarbij zijn de torenhoge witte reuzen van 100 of zelfs 200 meter hoog. Die kunnen op voorhand al rekenen op verzet, omdat ze horizonvervuiling, slagschaduwen en lawaai veroorzaken. De veel kleinere windmolens op de erven van boeren en tuinders hebben ook last van dat ongunstige imago. Maar als gemeenten en provincies de juiste informatie hebben, kunnen ze er bijna niet tegen zijn, stelt Alexander Mascini van Ecoways. Dit bedrijf zet zogeheten erfmolens met een ashoogte van 15 meter neer bij vooral agrarisch ondernemers met een middelgrote energievraag. “We hebben nu zo’n 1.000 klanten, waarvan bijna 90% in Nederland. De afgelopen jaren hebben we ook heel veel zonnepanelen geïnstalleerd. En de laatste tijd is er ook veel vraag naar batterijen. Het bijzondere aan de erfmolens is dat we die helemaal zelf in Nederland produceren.” Kleinverbruikersaansluiting De combinatie van zonnepanelen, een kleine erfmolen en eventueel een batterij is vooral interessant voor boeren en tuinders met een verbruik rond 50.000 kWh per jaar. Ondernemers die met een kleinverbruikersaansluiting onder de 3×80 ampère zaten, vielen onder de salderingsregeling. Met het verdwijnen daarvan wordt het ook voor deze groep – naar schatting zo’n driekwart van alle agrarisch ondernemers in Nederland – zaak om de eigen stroomvraag en het eigen stroomaanbod zoveel mogelijk gelijk op te laten lopen. Met alleen zonne-energie heb je vaak te veel stroom en nog vaker helemaal géén stroom. Maar waaien doet het ook als de zon onder is of niet schijnt. En met een batterij erbij kun je ook zonder zon én zonder wind op eigen energie doordraaien, waardoor je minder snel dure netstroom hoeft af te nemen. Zelf kunnen sturen achter de meter is nu de grootste drijfveer bij klanten en potentiële klanten, stelt Mascini. “Als straks niemand meer kan salderen, is echt voor iedereen het gebruiken van eigen stroom het voordeligst. Ook voordeliger dan met je opgewekte stroom gaan handelen.” Onbalansmarkt zakt in Energietransitie-expert Sanne de Boer van RaboResearch valt Mascini daarin bij. Batterijen halen het zekerste rendement als je er je eigen gebruik mee kunt optimaliseren. Er winst mee kunnen maken op de onbalansmarkt, calculeerden velen bij de aanschaf van een batterij wel in. “Maar die markt is al aan het inzakken. Het is een relatief kleine markt en als steeds meer partijen er op actief worden, daalt het verdienpotentieel.” De terugverdientijd in de verkoopplaatjes van de almaar talrijker wordende batterijproducenten en -handelaren is deels gebaseerd op de jaren 2022 en 2023. Tijdens de energiecrisis aan het begin van de Oekraïne-oorlog konden hoge rendementen worden behaald met flexibel invoeden of afnemen van stroom. Maar die bieden geen garantie voor de toekomst. Dat we nu wéér met een oorlog te maken hebben die de energiemarkten op hol doet slaan, doet daar niks aan af. Subsidiemogelijkheden “Het is heel moeilijk om op voorhand een berekening los te laten op de businesscase voor een energie-installatie die 15 jaar mee moet gaan”, stelt De Boer. “Het is dus best lastig om een dergelijke installatie als los project te financieren”. Wat de terugverdientijd van bijvoorbeeld een erfmolen in elk geval bekort, is de subsidie die je erop kan krijgen. Landelijk is er de Energie-investeringsaftrek EIA en er zijn provinciale subsidies. En onder voorwaarden betaalt ook het duurzaamheidsfonds van Rabobank tot €10.000 mee op de €100.000 die zo’n windmolen inclusief vergunningsaanvraag en installatie kost. Eigen energiedata eerst Voor ondernemers die voor zichzelf hun opties op een rijtje willen zetten, is de eerste stap de eigen energiedata zo gedetailleerd mogelijk op een rijtje te zetten, stelt Jinny Soe Moe Let van Netbeheer Nederland. “Begrijp hoe je energiefacturen eruitzien.” De basis is daarbij uiteraard de energiebehoefte van het bedrijf. Hoe veel stroom is er nodig en wanneer per dag, week of maand – is er meer of minder nodig? Hoe groot is de piek aan elektriciteitsvolume die door je netaansluiting moet kunnen? En hoe vaak benaderde de afgelopen jaren jouw verbruik daadwerkelijk dat piekvolume? Slim sturen achter je meter is volgens Soe Moe Let voor zowel ondernemers als voor particulieren de eerste prioriteit. Dat verlaagt de pieken van te veel stroom tegelijk moeten invoeden naar het net én de pieken van te veel tegelijk moeten afnemen van het net. De eerste en eenvoudigste besparing kan dan al zijn dat je je aansluiting prima blijkt te kunnen verkleinen. En als je een dynamisch energiecontract hebt, kun je ook al meteen geld verdienen door te voorkomen dat je stroom moet afnemen tijdens dure uren, of stroom moet leveren tegen lage of zelfs negatieve prijzen. Een andere manier van winst pakken is dat je je ongebruikte piekvolume tegen een vergoeding beschikbaar stelt aan een buurman. Netcongestie voor zijn Dat laatste is van groot belang met het oog op de problemen die we in Nederland hebben met netcongestie. Dat is in de eerste plaats een theoretisch probleem: nieuwe bedrijven aansluiten op het net, vergroot het risico dat alle bedrijven en huishoudens bij elkaar opgeteld op één moment allemaal tegelijk hun maximale volume willen en zullen afnemen en de boel klapt. Die klap kunnen we niet alleen voorkomen door volle bak het net te verzwaren. Dat kost vele miljarden euro’s én vele jaren. Maar eerder en sneller al kunnen we het opgeteld volume van de aansluitingen beter verdelen. In de Energiewet, die sinds 1 januari de oude Gaswet en Elektriciteitswet vervangt, staat in het overzicht van alle verschillende partijen met hun verschillende rollen ook de Congestion Service Provider genoemd. Dat zijn door de overheid gecertificeerde bedrijven die flexdiensten faciliteren, naar de netbeheerder, naar de groothandelsmarkten of naar de andere leden van een groep gebruikers die besluiten achter één meter te gaan zitten. Zo’n groepscontract is al langer mogelijk, maar is best ingewikkeld. Alle leden van de groep moesten allemaal bij dezelfde energieleverancier zijn aangesloten. En in zo’n contract moet van alles vooraf waterdicht worden geregeld: kosten, baten, garanties over wie wanneer waarop recht heeft, en wie er voorrang krijgt bij een tekort aan piekcapaciteit. Van vaste contracten naar vrije keuze De mogelijkheden om onderling contractcapaciteit te delen, maar ook achter die gezamenlijke meter vraag en aanbod van stroom eerst onderling uit te wisselen en te ‘salderen’, en nog veel meer, zijn in hoofdstukken 1 en 2 van de nieuwe Energiewet al aardig op een rijtje gezet. Interessant leesvoer, waar het hoofd van de nu met vaste contracten werkende boer of tuinder wel van kan gaan duizelen. En de mogelijkheden om eigen vraag en aanbod van energie te managen worden in 2027 alleen nog maar groter. Vanwege EU-regels zitten klanten dan niet meer voor al hun diensten aan één energieleverancier vast. Energielevering als dienst wordt dan ‘ontbundeld’ met al die andere mogelijke diensten, die dan vrijelijk bij andere partijen afgenomen kunnen worden. De boer en de tuinder, maar ook de bakker en de loodgieter: elke ondernemer wordt dan óók energieondernemer. Of hij bepaalt in ieder geval samen met zijn leveranciers van energiediensten hoe het bedrijf energetisch als een zonnetje blijft draaien. En hoe de energiestromen technisch en financieel zo gunstig mogelijk door de kabels stromen. Bron: Gactueel #salderingsmaatregel #subsidie #Elsman #stroommarkt #energie #netcongestie
26 maart 2026
Ondanks een exportgroei van 3 procent - het hoogste niveau in twee jaar - is het vertrouwen van Nederlandse exporteurs gedaald naar het laagste punt sinds de financiële crisis. Bedrijven beoordelen het economische klimaat met een magere 5,9, wat duidt op pessimisme, terwijl de export juist veerkrachtig blijft presteren. Vooral de Verenigde Staten gelden als belangrijke groeimotor, maar tegelijkertijd beschouwen exporteurs de Amerikaanse markt óók als risicovol door handelsbeperkingen en politieke onzekerheid. Geopolitieke spanningen en handelstarieven worden door bedrijven dan ook massaal genoemd als grootste bedreiging voor verdere groei. Deze onzekerheid heeft ook invloed op de keuze voor afzetmarkten waar Nederlandse bedrijven willen groeien. Dat blijkt uit Trends in Export, het jaarlijkse onderzoek van Atradius en evofenedex dat vandaag is gepubliceerd. Exporteurs realiseren een steeds groter deel van hun omzet binnen de Europese Unie. Terwijl vorig jaar nog 67 procent van de exportomzet uit de EU kwam, ligt dat aandeel nu boven de 70 procent. Daarmee zet de verschuiving naar een meer regionaal georiënteerde export zich voort en kiezen Nederlandse bedrijven vaker voor nabijgelegen, stabiele markten. Duitsland blijft de belangrijkste exportbestemming, gevolgd door België, Frankrijk, Italië en Spanje. Ook op langere termijn zien exporteurs Europa als de meest kansrijke regio. "In een tijd van verschuivende machtsblokken biedt de Europese markt stabiliteit, nabijheid en voorspelbaarheid", zegt Bart Jan Koopman, algemeen directeur van evofenedex. "Tegelijkertijd ziet de helft van de bedrijven geopolitieke onrust als grootste obstakel voor verdere groei en noemt 37 procent handelsoorlogen als risico. Daardoor wordt de Nederlandse export minder mondiaal en meer regionaal georiënteerd. Europa blijft het fundament en dat maakt het des te urgenter om de interne markt verder te versterken en te versoepelen." VS grootste kans én risico voor Nederlandse exporteurs Ondanks geopolitieke spanningen en het grillige Amerikaanse handelsbeleid blijven de VS een cruciale afzetmarkt. Nederlandse bedrijven noemen de VS het vaakst als markt waar zij in 2026 een omzetstijging verwachten, maar tegelijkertijd staat het land óók in de top van verwachte omzetdalers. Dit maakt duidelijk dat kansen en risico's in deze markt dicht bij elkaar liggen. Ook lijkt de groei in de VS deels te zijn veroorzaakt door het naar voren halen van orders in de aanloop naar hogere handelstarieven. Andere regio's, zoals Noord-Amerika en het Midden-Oosten, worden minder vaak als kansrijk gezien dan vorig jaar. Daarmee wordt duidelijk dat de internationale vraag steeds moeilijker te voorspellen is en exportgroei minder vanzelfsprekend wordt. Interne knelpunten kosten export miljarden Niet alleen externe factoren remmen de exportgroei, ook in bedrijven zelf blijft veel potentieel onbenut. Twee op de drie exporteurs geven aan dat interne belemmeringen - zoals personeelstekorten, productaanpassingen en prijsbeleid - de groei beperken. Omgerekend betekent dit dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse export, goed voor honderden miljarden euro's, te maken heeft met remmende factoren. Exporteurs schatten dat deze interne knelpunten leiden tot gemiddeld bijna 10 procent omzetverlies. Dat komt neer op circa 70 miljard euro aan gemiste exportomzet en mogelijk 20 tot 25 miljard euro aan misgelopen winst. Vooral capaciteitstekorten en organisatorische beperkingen worden vaak genoemd. Problemen met financiering en exportkredietverzekeringen komen minder vaak voor, maar hebben wel een grote impact als ze zich voordoen. Exporteurs opnieuw strikter met betalingscondities Ook dit jaar zijn Nederlandse exporteurs strikter met betalingscondities. De verslechterde kredietwaardigheid van internationale klanten draagt hieraan bij. Landen waar sprake is van de grootste betalingsproblemen zijn Frankrijk en Italië - waar 8 procent van de exporteurs problemen ervaart - België (7 procent), Duitsland (6 procent), Spanje (5 procent) en het Verenigd Koninkrijk (5 procent). "We zien dat exporteurs steeds scherper sturen op zekerheden en betaaltermijnen. Dat is begrijpelijk in een omgeving waarin de kredietwaardigheid van afnemers onder druk staat, maar het vraagt ook om maatwerk. Wie internationale klanten goed screent en de juiste vormen van kredietverzekering inzet, kan verantwoord zakendoen in landen waar betalingsrisico's toenemen, zonder groeikansen te laten liggen", aldus Tom Kaars Sijpesteijn, directeur van Atradius Nederland Bron: Groentennieuws #NederlandseExport #Exportgroei #GeopolitiekeSpanningen #Handelstarieven #EuropeseMarkt .
Bekijk meer