Strijd om nieuw GLB: minder geld, meer nationale regels
Het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid moet in 2028 ingaan.

Krijgt een teler die de pensioenleeftijd bereikt straks nog hectarepremie? En moet hij dan aan dezelfde voorwaarden voldoen als zijn Poolse collega’s? Het zijn vragen die op tafel liggen voor het nieuwe Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) dat in 2028 moet ingaan.
Eigenlijk lopen er twee onderhandelingen tegelijkertijd in Brussel: die over het totale Europese budget, en één specifiek over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). En die eerste is van groot belang voor de tweede. “Een uitdaging voor ons”, erkent belangenbehartiger Peter Meedendorp. De 25-jarige Nederlandse akkerbouwer is voorzitter van de Europese koepelorganisatie van jonge boeren: CEJA.
“We zijn natuurlijk bezig met hoe het GLB er na 2027 uit moet komen te zien, maar hoe het GLB past binnen de structuur van de nieuwe Europese begroting is een net zo belangrijke discussie”, vertelt hij. “Wie kan er aan welke knoppen draaien? Ligt de beslissingsbevoegdheid nationaal of Europees? En bij de departementen landbouw of financiën? Er speelt een gigantische competentiestrijd over de Europese geldstromen.” Op beide fronten proberen landbouwbelangenbehartigers hun invloed uit te oefenen.
Hoe wordt het geld verdeeld?
De discussie die eerst geslecht moet worden, is die over het Europese budget. Hoeveel geld gaan lidstaten vanaf 2028 afdragen aan Brussel, en waar wordt dit voor ingezet? Het budget voor landbouwbeleid en platteland is daar een belangrijk onderdeel van. Voor het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid was er tot nu toe altijd een apart fonds. De Europese Commissie wil dit nu laten opgaan in één groot fonds dat onder meer ook gaat over regionale ontwikkeling, visserij en binnenlandse zaken. Dit onder de noemer van het ‘Nationaal en Regionaal Partnerschapsplan’.
Er lijkt daarbij minder geld beschikbaar te gaan komen voor het GLB, terwijl telersorganisaties juist pleiten voor een verhoging vanwege inflatie. De strijd om het budget is echter nog lang niet gestreden. Nederland is een van de felste voorvechters in Brussel om de begroting verder te verlagen. Dat zal waarschijnlijk leiden tot een nieuwe korting op het landbouwbudget. Daarom is duidelijkheid over het grote Europese budget essentieel om te weten hoe verder met het GLB. Pas dan is duidelijk wat er onder de Europese land- en tuinbouw te verdelen valt.
Klaas Johan Osinga, strategisch beleidsadviseur Internationaal bij LTO Nederland, verwacht op z’n vroegst eind dit jaar een beslissing over het budget. “We zitten nu middenin het proces.”
Meer macht terug naar lidstaten
Tegelijk tekenen de contouren van het nieuwe GLB zich al wel af. Het GLB gaat over de Europese landbouwsubsidies. Vorige zomer kwam de Europese Commissie met een voorstel hoe het nieuwe GLB er vanaf 2028 uit zou moeten zien. Afgelopen maand kwam er ook een eerste tekst uit het Europees Parlement. Namens het Parlement schreef de Duitser Norbert Lins, lid van de grootste fractie, de Europese christendemocraten, dit eerste voorstel voor het Parlementsstandpunt. Het Parlement werkt dit nu verder uit.
Een duidelijke rode draad tekent zich af: er lijkt meer macht terug te gaan naar de lidstaten zelf. Die willen graag meer vrijheid om voor hun eigen land eigen keuzes te maken.
Meedendorp is hier sceptisch over. Hij noemt het naïef dat Europese landen er zo in zitten. “Flexibiliteit voor jezelf is leuk, maar het betekent ook dat de buurman diezelfde flexibiliteit krijgt. Dat is lastig als je in een gezamenlijke markt zit.” Belangenbehartigers als CEJA, LTO en NAJK pleiten nadrukkelijk voor een gelijk speelveld.
Een van de onderdelen waar die nationale flexibiliteit concreet is terug te zien, zijn de basisvoorwaarden, ook bekend als de conditionaliteiten nu of eerder ‘cross compliance’. Hieraan moet je voldoen om überhaupt geld uit het GLB te kunnen krijgen. In het huidige GLB zijn dit bijvoorbeeld de verplichte bufferstroken, verplichte gewasrotatie en de eis voor bodembedekking. In het nieuwe GLB zouden deze basisregels ‘Farm Stewardship’ genoemd worden, en krijgen landen meer ruimte om deze zelf in te vullen afhankelijk van de eigen omstandigheden.
Hectarepremie
Voor boeren gaat het GLB allereerst om de hectaretoeslag. De laatste jaren zie je dat deze in Nederland steeds verder terugloopt. In 2023 was de basispremie in Nederland €213 per hectare, in 2025 €174. En daarvoor, onder de oude systematiek met betalingsrechten, kon je met betalingsrechten nog boven de €370 uitkomen.
Volgens de huidige plannen zou de basispremie vanaf 2028 verder kunnen dalen, tot minimaal €130 per hectare. Maar er lijkt een ruime bandbreedte te komen waartussen lidstaten hun basispremie kunnen vaststellen. De Commissie stelt een maximum van €240 per hectare voor, het eerste voorstel vanuit het Parlement rept over maximaal €200 per hectare. Ondergrens blijft volgens Lins €130 per hectare. De inzet van LTO is om de bandbreedte zoveel mogelijk te beperken, om een ongelijk Europees speelveld tegen te gaan.
De afgelopen jaren is Nederland naar het minimum van de huidige bandbreedte gegaan om de beloofde premies voor de eco-regeling uit te kunnen betalen. Meer en meer lijkt er ook in het nieuwe GLB een verschuiving te gaan zijn van inkomenssteun naar specifieke vergoedingen voor bepaalde maatregelen. De eco-regeling en het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer blijven daarvoor ook in de nieuwe opzet mogelijk.
Europa wil wel limiteren hoeveel inkomenssteun één bedrijf kan krijgen. Daarvoor zijn er twee plannen: een maximaal plafondbedrag dat iedere teler of boer aan GLB-geld zou kunnen krijgen, en een nieuw systeem waarbij de basishectarepremie lager wordt naarmate het aantal hectares toeneemt. De 10.000ste hectare levert dan niet hetzelfde bedrag op als de eerste.
Zorgen in groente- en fruitketen
Wat betreft de financiële kant van het GLB, is voor LTO Nederland de zogenoemde ‘sectorale interventie’ zeer belangrijk. Nederland kent in het huidige GLB een sectorale interventie Groente en Fruit (SIG&F) waarbij telersverenigingen uit deze sectoren financiële steun krijgen via Europese middelen voor verduurzaming, afzetpromotie en onderzoek.
Telersverenigingen hebben nog een ander zorgpunt rond de plannen: dat nationale overheden hiervoor zelf middelen mogen inzetten. Samenwerking tussen Nederland en België loopt dan gevaar. Hoe zal de Vlaamse overheid bijvoorbeeld reageren op het feit dat zoveel Nederlandse telers lid zijn in België en ze zelf moet bijdragen aan de steunbetalingen? Dat is nog onzeker. “Of stel dat Nederland steunbijdragen heeft van 30% en België 20%. Wat gaat er dan gebeuren?”, liet Luc Vanoirbeek, vertegenwoordiger van coöperaties in het Europese Cogeca recent weten. Er gaat concurrentie ontstaan tussen lidstaten, maar ook tussen sectoren als andere boeren ook toegang krijgen tot deze regeling, verwacht hij. Er is hoop dat dit najaar deze plannen nog worden bijgesteld. Vanoirbeek: “Voorlopig is de mist nog te dik om zinnige dingen te kunnen zeggen hierover. We zullen een beter zicht krijgen nadat de reacties op het rapport Sargiacommo bekendgemaakt zijn. In september zal de discussie zich duidelijker aftekenen.”
Starterspakket jonge telers
Ook voor overnemers is er veel aandacht. Zowel vanuit landbouworganisaties die pleiten voor goede ondersteuning van jonge boeren en tuinders, als vanuit Brussel. Die aandacht moet nog wel verzilverd worden. Voor de jonge ondernemers verenigd in CEJA is dit een belangrijk speerpunt. Zij pleiten voor specifiek geoormerkt budget voor jonge telers binnen het nieuwe GLB, zodat het niet moet afhangen van lidstaten welk budget hiervoor beschikbaar is.
Meedendorp heeft er goede hoop op dat dit gaat lukken. Hij ziet ook andere positieve dingen voor jonge ondernemers: “De steun hiervoor wordt uitgebreider dan de huidige vestigingssteunregeling. Lidstaten moeten met een starterspakket komen, met bredere regelingen voor jonge boeren en tuinders.”
Wie is ondernemer?
Iets waar ook veel aandacht voor is bij het nieuwe GLB: wie valt er precies onder de definitie ‘boer’ of ‘teler’ en komt in aanmerking voor GLB-geld? Recent is deze discussie nog eens extra aangewakkerd toen bleek dat de koninklijke familie van de Verenigde Arabische Emiraten jaarlijks miljoenen aan GLB-subsidie opstrijkt. In Nederland hoeft er op dat vlak niet veel te veranderen wat Osinga betreft; je mag hier meedoen aan het GLB als je bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als landbouwbedrijf.
Een tweede discussie over wie nog GLB-geld mag ontvangen, gaat over ondernemers die de pensioenleeftijd bereiken. De Commissie wil dat telers of boeren die de pensioenleeftijd bereiken, of ouderdomspensioen ontvangen, vanaf 2032 geen basispremie meer kunnen krijgen. Daarmee hoopt de Commissie te bereiken dat jongere ondernemers meer toegang krijgen tot grond. Een Nederlandse ondernemer die ouder is dan 67 zou dan geen basispremie meer kunnen aanvragen.
Osinga – die al vele jaren meeloopt in Brussel – ziet het echter zo’n vaart niet lopen. “Het is een heel ingrijpend voorstel. Maar die pensioenleeftijd gaat van tafel denk ik. Dit is vroeger al vaak voorgesteld. Maar iedere lidstaat heeft zijn pensioenstelsel op zijn eigen manier geregeld, en je mag ook niet aan leeftijdsdiscriminatie doen.”
Onzeker tijdspad
Al met al moeten er nog heel wat knopen doorgehakt worden, voordat bedrijven duidelijkheid hebben over het GLB na 2027. Over beide sporen: het Europese budget en het toekomstig GLB. 2028 als deadline lijkt ver weg, maar eigenlijk moet er in het najaar van 2027 duidelijkheid zijn, zodat telers hier in hun bouwplannen voor het volgende jaar rekening mee kunnen houden.
#GLB #landbouw #akkerbouw #jongeboeren #Elsman




